Rapport Roland Berger

 

Catechismus

voor

versnipperd

bestuur

in Zuidvleugel

 

In de Zuidvleugel van de Randstad bestaan nogal wat organisaties die zich inzetten voor economische versterking. Is dat overdreven bestuurlijke drukte en een uiting van geldingsdrang of is het allemaal functioneel? De redactie vroeg Pieter Maessen om een interpretatie van dit netwerk te maken. Maessen is schrijver van het boek De Poldermetropool. Wat iedereen moet weten van de Randstad.

Vanwaar de Zuidvleugel?

In de jaren tachtig zijn in Zuid-Holland het Stadsgewest Haaglanden en de stadsregio Rotterdam opgericht. Zij waren de bestuurlijke reactie op het feit dat bedrijven en forensen zich al lang niets meer aantrokken van gemeentegrenzen. De provincie Zuid-Holland had weliswaar een regionaal economisch programma voor dit gebied, maar dat was niet genoeg. De besturen van de grootste steden wilden zélf aan de knoppen zitten. Vanouds heerst daar het gevoel dat de provinciale overheid vooral aandacht heeft voor plattelandszaken en te weinig voor grotestadsproblemen.

Tegelijk had de rijksoverheid steeds vaker behoefte aan een regionale gesprekpartner die ook namens de grote steden kon spreken. Dit alles was aanleiding om een samenwerking in het leven te roepen waarin de provincie en de steden Rotterdam, Den Haag, Leiden, Delft, Dordrecht en Gouda (en hun omliggende regio’s) op gelijkwaardige basis aan tafel konden zitten. Dat werd de ‘Zuidvleugel’.

Jarenlange inspanningen met veel overleg en gelobby leidden niet tot een doorbraak. De rivalen in de Noordvleugel, rond Amsterdam, leken steeds weer een grotere buit binnen te halen. Daarbij zal ook de bestuurlijke complexiteit een rol hebben gespeeld. In de Noordvleugel is het vanzelfsprekend dat Amsterdam de kar trekt voor de hele regio. In de Zuidvleugel hebben we te maken met twee grote en enkele middelgrote steden, met een tuinbouwcluster dat toen nog verspreid lag over een tiental gemeenten en met een provincie die ook een actieve rol opeiste. Op zich hoeft dat laatste geen probleem te zijn, als iedereen goed op samenwerken is ingesteld. Maar het is een publiek geheim dat dat laatste niet altijd het geval was.

Het bevatte geen grote verrassingen, maar maakte wel duidelijk dat er in de Zuidvleugel ‘stuwende sectoren’ zijn waar de rest van de economie op mee kan liften.

Roland Berger

Toch heeft de Zuidvleugel in 2009 een grote stap gezet met een onderzoeksopdracht aan adviesbureau Roland Berger: zoek voor ons uit op welke economische sectoren we onze kaarten moeten zetten.

Het rapport van Roland Berger (beschikbaar op www.zuidvleugel.nl) is een catechismus geworden. Het bevatte geen grote verrassingen, maar maakte wel duidelijk dat er in de Zuidvleugel ‘stuwende sectoren’ zijn waar de rest van de economie op mee kan liften. Daarbij werden voor het eerst heel concreet bedrijven en sleutelinstellingen genoemd. Bovendien drong het bureau aan op het vergroten van het speelveld. Er moest een regionale economische ontwikkelmaatschappij (ROM) komen, zoals die al jaren in andere regio’s functioneerde.

 

 

Metropoolregio

Terwijl het economisch denken zo een impuls kreeg, pakten de nieuwe burgemeesters van Rotterdam en Den Haag de uitdaging op om de achterstand ten opzichte van de Noordvleugel te verkleinen. In dat deel van de Randstad werd voortvarend gebouwd aan de ‘Metropoolregio Amsterdam’. Het antwoord van Van Aartsen en Aboutaleb is de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH), een samenwerking van de vijftien gemeenten die nu nog behoren tot de stadsregio Rotterdam en de negen van het Stadsgewest Haaglanden. De MRDH krijgt twee taken: het organiseren van het mobiliteitssysteem in dit gebied en het versterken van de economie.

Daarmee is het plaatje van ons gebied erg gecompliceerd geworden. De provincie Zuid-Holland, het Zuidvleugeloverleg en de Metropoolregio hebben werkgebieden die elkaar overlappen. Ook zijn er aparte organisaties voor de regio’s rond Leiden (Holland-Rijnland), Dordrecht (Drechtsteden) en Gouda (Midden-Holland). Dat oogt niet erg efficiënt, maar Zuid-Holland is niet uniek in dit soort bestuurlijke drukte. Kijk maar eens in de omgeving van Utrecht, daar kunnen ze er ook iets van.

Toch blijft het spannend de komende jaren. Opmerkelijk is dat de agenda’s van de afzonderlijke spelers vrijwel gelijk zijn.

Innovation Quarter

De MRDH heeft flinke ambities, maar nauwelijks financiële middelen. Dat ligt anders bij het nieuwe Innovation Quarter (IQ), de regionale ontwikkelingsmaatschappij die is opgericht naar aanleiding van het advies van Roland Berger. Het IQ heeft niet één geografisch aaneengesloten werkterrein, want het is een initiatief van de provincie Zuid-Holland, het Ministerie van EZ, de gemeenten Rotterdam, Den Haag, Leiden, Delft, Dordrecht en Westland en alle universitaire instellingen in Zuid-Holland. Belangrijk is dat deze maatschappij een investeringsfonds heeft van (voorlopig) € 28 miljoen. Daarmee is er in Zuid-Holland voor het eerst een club met een uitvoerende taak waarin ondernemingen, onderzoek, (beroeps)onderwijs en overheid samenwerken.

IQ onderhoudt nauwe relaties met de nieuwe Economische Programmaraad Zuidvleugel. Deze EPZ is weer een samenwerkingsverband van ruim twintig topbestuurders en CEO's van overheden, bedrijfsleven, kennis- en onderzoeksinstellingen en staat onder voorzitterschap van Siemans-topman Ab van der Touw. Het secretariaat van de EPZ is ondergebracht bij Innovation Quarter.

Met de komst van de EPZ is het speelveld veranderd. Ook de grote ondernemingen en de onderwijsinstellingen bemoeien zich nu met de economische ontwikkeling van de hele regio. Dat betekent, zo heeft Van der Touw al eens gezegd, dat de rol van de overheid verandert. Haar rol wordt meer bescheiden. Zij hoeft niet meer de pretentie te hebben dat ze de regionale economie moet aanjagen. Voor Van der Touw is het voldoende als de overheid de omstandigheden schept waardoor ondernemingen en onderwijs- en onderzoeksinstellingen zo goed mogelijk hun werk kunnen doen.

Deze paradigmaverandering heeft misschien een louterend effect. Wanneer overheidspartijen een meer bescheiden rol hebben, is er een zwakkere voedingsbodem voor zaken als geldingsdrang en prestige. Dan wordt het misschien gemakkelijker om de bestuurlijke kluwen die in de loop der jaren is ontstaan, te ontwarren. De Economische Programmaraad wordt de ‘eigenaar’ van de economische agenda Zuidvleugel op strategisch niveau. De uitvoering van die agenda wordt gezien als een taak van de MRDH, de andere regio’s en de steden.

 

 

Unies

Het verhaal hierboven beschrijft alleen hoofdlijnen. Er bestaat nog een hele reeks aan andere samenwerkingsverbanden die zich met afzonderlijke economische sectoren of gebieden bezighouden. Allemaal zijn die door persoonlijke unies en overlappende besturen verbonden met de steden, de stadsregio’s, de provincie en talloze spelers in het veld van bedrijven, onderzoek en onderwijs.

Toch blijft het spannend de komende jaren. Opmerkelijk is dat de agenda’s van de afzonderlijke spelers vrijwel gelijk zijn. Het rapport van Roland Berger geeft de koers aan. Ik denk dat de Metropoolregio, de Zuidvleugelpartners en de provincie erin zullen slagen één gezamenlijke agenda op te stellen. De cruciale vraag blijft of al die ambitieuze bestuurders over hun eigen bestuurlijke en electorale schutting heen willen kijken en elkaar iets gunnen. Dat wordt de test voor mensen als de nieuwe Commissaris van de Koning, Jaap Smit, voor EPZ-voorzitter Van der Touw en voor de nieuwe wethouders EZ van de steden. Hun opdracht is: maak van de zuidelijke Randstad één metropoolregio van Leiden tot Dordrecht. Er is ruim voldoende potentieel.