EEN GEZAMENLIJKE ERFENIS

Bijschrift: Adolf en Catharina Croeser aan de Oude Delft, beter bekend als De Burgemeester van Delft en zijn dochter (1655) door Jan Steen. Het schilderij is te bewonderen in het Rijksmuseum.


 

Na de gemeenteraadsverkiezingen van afgelopen voorjaar is er een nieuwe generatie lokale bestuurders aangetreden in de Zuidvleugel. Deze nieuwkomers krijgen niet alleen te maken met hoe hun directe voorgangers te werk gingen, maar ook met de ruimtelijk-economische erfenis van hun gemeente.

Omgaan met die dubbele erfenis is geen gemakkelijke opgave. Allereerst omdat er, in vergelijking met de Noordvleugel, op ruimtelijk-economisch vlak een behoorlijke uitdaging ligt. In een reeks recente rapporten is gewezen op allerlei concurrentienadelen: de arbeidsmarkt is te versnipperd; tussen arbeids- en de woningmarkt bestaat een mis-match; en de economische clusters genereren te weinig schaalvoordelen. Ten tweede ligt er een decentraliseringsopgave vanuit het Rijk. Meer geld, maar daar komt een complexer takenpakket bij. Een beetje voorkennis als houvast kan dan geen kwaad.

 

De dynamische Zuidvleugel

Goed om te weten is allereerst dat de Zuidvleugel in vergelijking met de Noordvleugel van oudsher een fijnmaziger en complexere ruimtelijk-economische samenstelling heeft. Dat komt omdat de regio van de Rijn-Maasmonding halverwege de middeleeuwen, toen de eerste dorpen en steden ontstonden, economisch in het voordeel was. In deze pioniersfase van de Hollandse economie richtten de bewoners zich al snel op de doorvoerhandel van stedelijke nijverheidsproducten uit Vlaanderen en Brabant. Het gebied, pakweg ten zuiden van de Oude Rijn, lag daarvoor aanmerkelijk gunstiger dan alles daarboven. Daarom ontwikkelden zich er méér kernen op relatief korte afstand van elkaar dan in het noorden. Het gevolg daarvan was meer concurrentie, waardoor de dorpen en steden in de Zuidvleugel zich vaker en grondiger moesten aanpassen aan veranderende concurrentieverhoudingen.

Hierdoor wijzigde de onderlinge hiërarchie ook vaker. Zo bleef in het noorden de dominantie van Amsterdam vanaf de 16de eeuw onaangetast, terwijl in het zuiden Dordrecht tot pakweg 1500 een voorsprong had. Daarna waren Zuidvleugelsteden een tijd redelijk aan elkaar gewaagd, alhoewel Leiden in de 17de eeuw sterk groeide. Die groei moest ze in de 18de eeuw inleveren, waarna vanaf de 19de eeuw Den Haag en Rotterdam een enorme voorsprong opbouwden. Al met al was de regionale economie in de Zuidvleugel dynamischer, en vanaf de 19de eeuw kwamen er ook nog eens meer plaatsen bij. Bevolkingsgroei en welvaart legden een voedingsbodem voor het ontstaan van bijvoorbeeld luxe woonenclaves zoals Wassenaar. Vervolgens werden er in de 20ste eeuw van overheidswege groeikernen, en later de VINEX-wijken, aan de toch al complexe geleding van de Zuidvleugel toegevoegd. De dynamische geschiedenis van de regio is vandaag de dag zichtbaar in het landschap: in een rijkgeschakeerde maar vaak onoverzichtelijke ruimtelijke orde.

 

Concurrentie is de aard van het beestje

Is dat verleden van ruimtelijk-economische concurrentie nu een hinderpaal voor de moderne bestuurder van de Zuidvleugel? Niet per se. Plaatselijke gemeenschappen, zowel grote als kleine, kenmerken zich namelijk altijd door onderlinge concurrentie. Zij hebben altijd gestreden om het behouden en aantrekken van mensen, bedrijven en instellingen en zullen dat ook in de toekomst blijven doen. Volgens de beroemde stadssociologe Jane Jacobs hoort dat bij het proces van importvervanging, wat de vorming van steden bepaalt. Iedere plaatselijke gemeenschap die daar langdurig succesvol is wordt uiteindelijk een stad met een gediversifieerd economisch en sociaal profiel. Geconcurreerd wordt er dus toch wel, en het is dit proces wat de ruimtelijke economie tot innovatie dwingt en gezond houdt. Greed is good.

Plaatselijke gemeenschappen, zowel grote als kleine, kenmerken zich namelijk altijd door onderlinge concurrentie

Gemeenten hebben hun economisch voortbestaan dus te danken aan concurrentie. Maar hoe geef je daar als moderne bestuurder handen en voeten aan? In elk geval door je handelen aan te passen aan veranderende omstandigheden. Door steeds gebruik te maken van plaatselijke eigenschappen waarmee je op dat moment je voordeel kunt doen, en een niche te zoeken waarin je gemeente een uitgesproken concurrentievoordeel bezit. De ene keer betekent dit meer concurrentie met je directe buurgemeente, de andere keer juist meer samenwerken door complementaire activiteiten na te streven. Kortom: door het maximale uit je concurrentiepositie te halen.

 

De betekenis van lokaal bestuur

Echter hebben gemeentes, in vergelijking met hun voorgangers in de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd, de beschikking over een beperkt instrumentarium. Het blijkt namelijk dat het staatkundig raamwerk van een land in grote mate bepaalt welke mogelijkheden lokale bestuurders hebben om het concurrerend vermogen van hun gemeente te maximaliseren. Tot pakweg het begin van de 19de eeuw werden vooral de stedelijke gemeenten in de Zuidvleugel gekenmerkt door een grote zelfredzaamheid. Hun handelingsvermogen werd vooral bepaald door hun omvangrijke financiële middelen, bestaande uit eigen belastinginkomsten en obligaties. Ook hadden ze een rechtstreekse afvaardiging in de regering.

Gedurende de 19de eeuw is dit decentrale raamwerk vervangen door de Nederlandse eenheidsstaat, met uniforme gemeentes en een gemeentefonds waarmee centraal opgelegde taken uitgevoerd moeten worden. Ook de rechtstreekse afvaardiging verdween. Behalve in beleidsmatig opzicht loopt de gemeente vooral financieel aan de leiband van de centrale overheid. Die beperkte zelfstandigheid wordt pijnlijk duidelijk voor wie de studie over moderne gemeentelijke financiën van Jelte Boeienga online bekijkt. En de aanstaande decentralisering zal daaraan weinig veranderen.

 

Besluit

De laatste tijd lijkt het belang van zelfstandig lokaal bestuur althans voor de grootstedelijke gemeente weer in de belangstelling te komen. Daarvan getuigt de grote media-aandacht voor het recente boek van Benjamin Barber, If mayors ruled the world. Voorlopig blijft het voor de gemeente in de Zuidvleugel belangrijk om haar belangen bij het Rijk op de agenda te krijgen. En dat kan weer het beste door gezamenlijk op te trekken met andere gemeentes. Echter: juist het complexe en veranderlijke karakter van de regio maakt het lastig om blijvende samenwerkingsverbanden te organiseren. Daar ligt dan ook een grote uitdaging voor de lokale bestuurder in de Zuidvleugel. Of de dynamiek van de regio haar kracht (groter innoverend vermogen?) of juist zwakte (lastig te besturen?) is, zal de toekomst leren.

Nikki Brand, onderzoeker TU Delft. Het proefschrift waarop dit essay gebaseerd is, De wortels van de Randstad, is gratis te downloaden via books.bk.tudelft.nl/index.php/press/catalog/download/15/21/30-1. Een gedrukte versie‎ is te bestellen via Amazon.com ($44.65).