Domweg gelukkig in Spijkenisse

Gert-Jan Hospers

Begin juni verschijnt er een lijstje waar menig bestuurder in de Zuidvleugel met angst en beven naar uit kijkt. Het gaat om de Atlas voor gemeenten, een jaarlijks onderzoek dat de vijftig grootste gemeenten in ons land met elkaar vergelijkt op woonaantrekkelijkheid. Vorig jaar werd de lijst aangevoerd door drie steden in de Noordvleugel: Amsterdam, Utrecht en Amstelveen. De positie van Den Haag (vijfde plek) bleef in 2013 ongewijzigd, maar Leiden en Rotterdam daalden naar een elfde respectievelijk achttiende plaats. Spijkenisse bungelt weer onderaan: de stad eindigt op de een-na-laatste plaats. Volgens de Atlas voor Gemeenten kun je daar maar beter niet wonen.

We leven in een tijd van tellen, turven en toetsen. Helaas moeten gemeenten daar ook steeds meer aan geloven. Dat we de prijs van een mand boodschappen bij verschillende supermarkten naast elkaar leggen is nog daar aan toe. Maar het is werkelijk idioot dat we ook woonplaatsen met elkaar vergelijken. Plekken laten zich niet in indicatoren, statistieken of getallen vangen: daarvoor zijn ze veel te complex. Het is onmogelijk om een objectieve uitspraak te doen over de meest aantrekkelijke woonplaats. Voor een gezin is Amstelveen misschien een eldorado, maar een beetje student vindt het er maar saai. Het probleem van de meeste stedenlijsten is dat ze niet naar leeftijd, klasse of beroepsgroep specificeren. Ze zijn het resultaat van gemiddelden, een maat waarover Godfried Bomans terecht opmerkte: ‘Een statisticus waadde vol vertrouwen door een rivier die gemiddeld één meter diep was. Hij verdronk.’ Bovendien is de keuze van indicatoren bepalend voor de uitkomst: je krijgt eruit wat je erin stopt. De Atlas voor gemeenten rekent bijvoorbeeld ‘strand en duinen’ niet tot de indicator ‘de nabijheid van natuurgebieden’, wat negatief uitwerkt op de aantrekkelijkheid van Den Haag als woonstad. Utrecht scoort hier juist goed. Maar waarom is een wandeling over de Utrechtse Heuvelrug aantrekkelijker dan een tocht door de Haagse duinen?

 

Qua woonaantrekkelijkheid doet de Zuidvleugel het hier dus beter dan de Noordvleugel! Goed nieuws natuurlijk, maar de scores geven meteen de onzinnigheid van de ranglijstjes weer.

Gelukkig heeft de Atlas voor gemeenten concurrentie. Jaarlijks verschijnt het Elsevier-onderzoek De beste gemeenten en onlangs kwam de Telegraaf met z’n eigen gemeentelijst. De uitkomst: volgens de Telegraaf kun je het beste wonen in Oegstgeest – de plaats scoort een 8,7. Edam-Volendam (eveneens 8,7) staat op de tweede plek en Heemstede (8,4) op de derde. Qua woonaantrekkelijkheid doet de Zuidvleugel het hier dus beter dan de Noordvleugel! Goed nieuws natuurlijk, maar de scores geven meteen de onzinnigheid van de ranglijstjes weer. En ook al zou het zo zijn dat Edam objectief gezien aantrekkelijker is dan Heemstede, geen Heemstedeling peinst erover om naar de kaasstad te verhuizen. Het zijn echt niet alleen praktische factoren die ze aan Heemstede bindt, zoals werk, sociale netwerken en het feit dat de kinderen nog op school zitten. Veel mensen hebben warme gevoelens bij hun woonplek, al dan niet gekleurd door persoonlijke ervaringen. Dat maakt ze ook honkvast: van alle mensen die elk jaar in ons land verhuizen, verhuist maar liefst 67% binnen de eigen gemeente. Echt: ook in Spijkenisse kun je domweg gelukkig zijn.

Gert-Jan Hospers doceert economische geografie aan de Universiteit Twente en is hoogleraar city- en regiomarketing aan de Radboud Universiteit Nijmegen. In zijn laatste boek Geografie en gevoel: wat plekken met ons doen keert hij zich tegen het groeiende lijstjesdenken van steden en regio’s.